Relatieve versus absolute luchtvochtigheid

Je weerapp meldt 40% luchtvochtigheid en je denkt: droog, prima moment om te luchten. Diezelfde app meldt ’s avonds 90% en je houdt alles dicht. In allebei de gevallen kan je precies het verkeerde doen, want dat percentage vertelt niet hoeveel water er in de lucht zit — het vertelt alleen hoe vol de lucht is voor haar eigen temperatuur.

Wat die procenten eigenlijk meten

Warme lucht kan veel meer waterdamp bevatten dan koude lucht. De capaciteit verdubbelt ruwweg per 10 °C opwarming. Relatieve luchtvochtigheid is een breuk: hoeveel water er in zit, gedeeld door hoeveel er in zou passen bij die temperatuur.

Dat betekent dat de noemer meebeweegt. Neem lucht van 20 °C bij 60% en warm die op tot 30 °C zonder er één druppel water aan toe te voegen: het percentage zakt naar iets van 33%. Er is niets veranderd aan het water; alleen de emmer is groter geworden. Andersom werkt het net zo: koel diezelfde lucht af en het percentage schiet omhoog tot je bij 100% komt — het dauwpunt, waar het water begint te condenseren.

Een percentage is dus geen eigenschap van de lucht. Het is een eigenschap van de lucht plus haar temperatuur. Twee luchtmassa’s met verschillende temperaturen vergelijken op procenten is als twee huizen vergelijken op ‘hoe vol de koelkast is’.

Absolute luchtvochtigheid: het getal dat wel vergelijkbaar is

Absolute luchtvochtigheid is simpelweg de massa waterdamp per kubieke meter lucht, in gram. Geen breuk, geen verborgen noemer. In de Nederlandse binnenlucht zit het meestal ergens tussen de 5 en 14 g/m³.

Dit is het getal dat je nodig hebt om te beslissen of je een raam opendoet. Als de buitenlucht minder gram water per kubieke meter bevat dan de binnenlucht, dan droogt binnenhalen je huis. Bevat ze meer, dan bevochtig je je huis — hoe geruststellend het percentage op je scherm ook is.

Je meet het niet direct, je rekent het uit uit temperatuur en relatieve vochtigheid. Dat gaat met de formule van Magnus, drie regels wiskunde die elke weerapp in principe zou kunnen draaien maar bijna geen enkele laat zien.

Hetzelfde water, twee heel andere percentages

Het klassieke voorbeeld, en het kost je twee seconden om te zien waarom het ertoe doet:

Lucht Temperatuur Relatief Absoluut
Buiten, zomermiddag 30 °C 40% ongeveer 12,1 g/m³
Koele kamer op het noorden 15 °C 90% ongeveer 11,5 g/m³

De ‘droge’ middaglucht bevat meer water dan de ‘drijfnatte’ koele kamer. Zet je op die middag je ramen open, dan haal je warmte binnen én meer water dan je al had. Dit is de droge-luchtvalkuil van de middag, en hij verklaart waarom zoveel goedbedoeld luchten een huis klammer maakt in plaats van droger.

Waarom je hygrometer in de winter juist geruststelt

In de winter draait het om. Buitenlucht van 5 °C bij 90% bevat maar zo’n 6 g/m³. Haal die binnen en verwarm haar tot 20 °C en het percentage zakt naar rond de 35% — droge lucht, statische truien, kurkdroge kamerplanten. Buiten was het mistig, binnen wordt het woestijn.

Dat is precies waarom kort luchten in de winter werkt tegen vocht en beslagen ramen: koude lucht is bijna altijd droge lucht in absolute zin, ook als het buiten miezert. En het is de reden dat een huis dat in januari op 65% blijft hangen ergens intern water produceert dat er niet uit komt.

Wanneer procenten wel nuttig zijn

Weggooien hoef je de relatieve luchtvochtigheid niet, want voor wat er binnen gebeurt is ze juist het goede getal. Schimmel groeit op oppervlakken waar de lucht ertegenaan tegen de 80% loopt, en comfort hangt aan de verhouding, niet aan gram. Voor de binnenkant houd je ongeveer 40 tot 60% aan.

Vuistregel: relatieve vochtigheid om te beoordelen hoe het binnen is, absolute vochtigheid om te beslissen of je een raam opendoet.

Laat de app meekijken

Twee luchtmassa’s in gram per kubieke meter vergelijken is precies het soort rekenwerk dat je niet acht keer per dag wilt doen. Open/Shut doet het continu met jouw lokale weerbericht en je eigen binnenwaarde, en zegt gewoon: open, of dicht. Gratis, zonder account.

← Alle artikelen